DE RECHTBANKEN

Wet 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank (BS 27 september 2013)

1. Wat verandert er nu concreet?
Met deze wet wil de wetgever een einde maken aan de verspreiding van de bevoegdheden in familiale geschillen en jeugdzaken tussen de vredegerechten, de rechtbanken van eerste aanleg, de jeugdrechtbanken en de kortgedingrechters.

A. Familie- en jeugdrechtbank
Binnen elke rechtbank van eerste aanleg wordt een familie- en jeugdrechtbank opgericht, die samengesteld is uit:

- een of meerdere familiekamers (de ‘familierechtbank’): Deze behandelen alle burgerlijke familiale geschillen, met inbegrip van procedures inzake hoogdringendheid, de civielrechtelijke jeugdzaken en het familiaal vermogensrecht.
- een of meerdere jeugdkamers (de ‘jeugdrechtbank’): Deze zijn bevoegd voor de protectionele zaken. Minstens een van deze kamers zal minderjarigen berechten die uithanden gegeven zijn (de ‘kamer voor uithandengeving’).
- een of meerdere kamers voor minnelijke schikking: Deze trachten de partijen te verzoenen of tot een minnelijke schikking te brengen.

Bij de hoven van beroep geldt dezelfde onderverdeling.

De rechter die zitting heeft in de kamer voor minnelijke schikking kan voor de dossiers waarvan hij kennis heeft genomen, nooit zitting hebben in de andere kamers van de familie- en jeugdrechtbank . Gebeurt dat toch, dan is de beslissing van deze rechter nietig, tenzij het om de homologatie van een akkoord of om een proces-verbaal van verzoening gaat.

B. Het familiedossier
Vanaf de eerste vordering bij de familierechtbank wordt er een ‘familiedossier’ geopend. Hierin worden de volgende vorderingen samengevoegd .

-  Vorderingen tussen partijen die feitelijk samenwonen of samengewoond hebben indien zij minderjarige kinderen hebben
-  Zaken met betrekking tot een kind waarvan de afstamming slechts ten aanzien van één ouder is vastgesteld
-  Zaken met betrekking tot het recht op persoonlijk contact
-  Vorderingen tussen (voormalig) gehuwden
-  Vorderingen tussen (voormalig) wettelijk samenwonenden

C. Horen van minderjarigen
- Minderjarige vanaf twaalf jaar: de minderjarige wordt door de rechter ingelicht over zijn recht om gehoord te worden of om dit te weigeren. Hem wordt een informatieformulier opgestuurd.
- Minderjarige jonger dan twaalf jaar: de minderjarige krijgt geen informatieformulier toegestuurd. Toch kan hij gehoord worden op zijn verzoek, op dat van de partijen, van het openbaar ministerie of door de rechter ambtshalve. Als de minderjarige er zelf om verzoekt of het openbaar ministerie dan kan de rechter dit niet weigeren. Gaat het verzoek uit van de partijen dan kan hij dat wel.

Het verslag van het onderhoud wordt bij het dossier van de rechtspleging gevoegd. De minderjarige ondertekent dit verslag niet.

De rechter hoort de minderjarige buiten de aanwezigheid “van wie ook”, dus ook in afwezigheid van diens advocaat. 

Aan de mening van de minderjarige wordt een passend belang gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.

D. Spoedeisendheid
In spoedeisende zaken kan de familierechtbank uitspraak doen in kort geding.

De zaken die betrekking hebben op de volgende materies worden geacht spoedeisend te zijn:

- Afzonderlijke verblijfplaatsen
- Ouderlijk gezag
- Verblijfsregeling
- Recht op persoonlijk contact
- Onderhoudsverplichtingen
- Internationale kinderontvoering
- Machtigingen om een huwelijk aan te gaan overeenkomstig art. 167 BW
- Weigeringen van wettelijke samenwoning overeenkomstig art. 1476quater, vijfde lid BW
- Voorlopige maatregelen

Deze zaken kunnen worden ingeleid door middel van een verzoekschrift op tegenspraak, een dagvaarding of een gezamenlijk verzoekschrift.

E. Voorlopige maatregelen
Voortaan zullen alle voorlopige maatregelen tussen echtgenoten, wettelijk samenwonenden en feitelijk samenwonenden met gemeenschappelijke kinderen door de familierechtbank worden behandeld. Zij kan volgende maatregelen nemen:

- De uitoefening van het ouderlijk gezag, de organisatie van de verblijfsregeling en het recht op persoonlijk contact
- Uitkering tot levensonderhoud
- Afzonderlijke verblijfplaats van de partners
- De echtgenoot die roerende goederen onder zich heeft, verplichten zich borg te stellen of voldoende solvabiliteit aan te tonen
- De echtelijke verblijfplaats van de echtgenoten vaststellen indien daarover onenigheid bestaat tussen hen.
- Voor gehuwden en wettelijk samenwonenden blijft de preferentiële toewijzing op verzoek van de gezinswoning bij partnergeweld behouden.

F. Blijvende saisine
De zaken die de wet spoedeisend acht, blijven op de rol van de familierechtbank ingeschreven. Bij nieuwe elementen kan de zaak opnieuw voor de familierechtbank worden gebracht door de neerlegging van conclusies of via een schriftelijk verzoek. De wetgever verduidelijkt wat onder “nieuwe elementen” moet worden verstaan.

G. Volledig schriftelijke procedure tot EOT is mogelijk
Leven de echtgenoten meer dan zes maanden feitelijk gescheiden bij de indiening van het verzoekschrift tot EOT, dan verloopt de procedure voortaan volledig schriftelijk. Als dat niet zo is, moeten de partijen nog één keer samen in persoon verschijnen.

H. Minnelijke schikking
Wanneer een dossier wordt ingeleid, moet de griffier de partijen informatie verstrekken over de verschillende mogelijkheden tot minnelijke schikking. Zo krijgen zij onder meer een informatiebrochure over bemiddeling, de teksten uit het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot bemiddeling en een lijst van erkende bemiddelaars in familiezaken in dat gerechtelijk arrondissement.

Ook de rechter moet de partijen op de inleidingszitting wijzen op de mogelijkheid tot minnelijke schikking. Zijn de partijen daartoe bereid, dan kan hij de procedure opschorten in het kader van een bemiddeling of de partijen doorverwijzen naar de kamer voor minnelijke schikking. Wordt binnen de kamer voor minnelijke schikking geen akkoord bereikt, dan komt de zaak terug voor de familierechtbank waar zij werd ingeleid.

Alles wat bij de kamers voor de minnelijke schikking wordt gezegd en geschreven is vertrouwelijk.

Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een alleenzetelend rechter die daartoe een bijzondere opleiding heeft gevolgd. 

I. Persoonlijke verschijning
In de volgende gevallen is de persoonlijke verschijning van de partijen op de inleidingszitting verplicht:

- Afzonderlijke verblijfplaats
- Ouderlijk gezag
- Verblijfsregeling en recht op persoonlijk contact
- Onderhoudsverplichtingen

Heeft de zaak betrekking op minderjarige kinderen dan moeten de partijen persoonlijk verschijnen op de inleidingszitting, de zitting waarop vragen over de kinderen aan bod komen en de pleitzittingen.

De rechter kan deze wettelijke verplichting in uitzonderlijke omstandigheden naast zich neerleggen.

Verschijnt de eiser ondanks de verplichting niet in persoon, dan heeft de rechter volgende mogelijkheden:

- De eis vervallen verklaren
- De zaak naar de bijzondere rol van de kamer verwijzen

De zaak kan op verzoek van een van de partijen opnieuw op de zitting worden gebracht binnen de vijftien dagen.

Verschijnt de verweerder ondanks de verplichting niet in persoon, dan heeft de rechter volgende mogelijkheden:

- Verstekvonnis : De zaak uitstellen tot een latere rechtsdag.
- De zaak uitstellen naar een latere zitting

Verschijnt de verweerder ook dan niet, dan spreekt de rechtbank in principe een vonnis uit dat wordt geacht op tegenspraak te zijn gewezen.

Bij de homologatie van een akkoord tussen de partijen is de persoonlijke verschijning in regel niet verplicht. De rechter kan dit wel ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie bevelen.

 

2. Overgangsrecht
De zaken die reeds hangende zijn bij de inwerkingtreding van deze wet worden verder behandeld door de geadieerde rechtbank of het geadieerde hof.

 

3. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op 1 september 2014.

 

Bron : Studiedienst, Orde van Vlaamse Balies